Dutch Vocabulary
Click on letter: GT-Google Translate; GD-Google Define; H-Collins; L-Longman; M-Macmillan; O-Oxford; © or C-Cambridge
GT
GD
C
H
L
M
O
a
GT
GD
C
H
L
M
O
access
/ˈæk.ses/ = NOUN: toegang, toegankelijkheid, vlaag, oprit, opwelling, genaakbaarheid, vatbaarheid, nadering, aangroeiing, aanval, vermeerdering, toeneming;
USER: toegang, toegang tot, Nog, naar, openen
GT
GD
C
H
L
M
O
adobe
/əˈdəʊ.bi/ = NOUN: in de zon gebakken klei;
USER: adobe, lemen, van Adobe
GT
GD
C
H
L
M
O
agile
/ˈædʒ.aɪl/ = ADJECTIVE: behendig, lenig, vlug, rap;
USER: behendig, agile, wendbaar, behendige, flexibele
GT
GD
C
H
L
M
O
also
/ˈɔːl.səʊ/ = ADVERB: ook, eveneens, tevens, bovendien, evenals, mee, evenzo, insgelijks;
USER: ook, tevens, eveneens, ook de, bovendien
GT
GD
C
H
L
M
O
an
/ən/ = ARTICLE: een;
USER: een, van een, de
GT
GD
C
H
L
M
O
analysis
/əˈnæl.ə.sɪs/ = NOUN: analyse, ontleding, overzicht, zinsontleding, ontbinding;
USER: analyse, analyses, analyseren, analyse van
GT
GD
C
H
L
M
O
and
/ænd/ = CONJUNCTION: en;
USER: en, en de, en het
GT
GD
C
H
L
M
O
apache
= NOUN: apache, straatschuimer;
USER: apache, een Apache, van Apache, apache Niet
GT
GD
C
H
L
M
O
api
/ˌeɪ.piˈaɪ/ = USER: api, van api, api op
GT
GD
C
H
L
M
O
application
/ˌæp.lɪˈkeɪ.ʃən/ = NOUN: toepassing, aanvraag, gebruik, inschrijving, sollicitatie, aanmelding, aanbrenging, aanwending, toewijding, ijver, vlijt, omslag, inspanning;
USER: toepassing, aanvraag, applicatie, verzoek, de toepassing
GT
GD
C
H
L
M
O
applications
/ˌæp.lɪˈkeɪ.ʃən/ = NOUN: toepassing, aanvraag, gebruik, inschrijving, sollicitatie, aanmelding, aanbrenging, aanwending, toewijding, ijver, vlijt, omslag, inspanning;
USER: toepassingen, applicaties, aanvragen, verzoeken
GT
GD
C
H
L
M
O
april
/ˈeɪ.prəl/ = NOUN: april, grasmaand;
ADJECTIVE: april-
GT
GD
C
H
L
M
O
arts
/ɑːt/ = NOUN: kunst, kunstgreep, list;
USER: arts, kunst, kunsten
GT
GD
C
H
L
M
O
assigned
/əˈsaɪn/ = VERB: toewijzen, overdragen, aanwijzen, bepalen, toeschrijven, bestemmen, toebedelen, vaststellen, aangeven;
USER: toegewezen, toegekend, ingedeeld, is toegewezen, opgedragen
GT
GD
C
H
L
M
O
assurance
/əˈʃʊərəns/ = NOUN: zekerheid, verzekering, zelfvertrouwen, assurantie, onbeschaamdheid;
USER: zekerheid, verzekering, garantie, assurance, mate van zekerheid
GT
GD
C
H
L
M
O
at
/ət/ = PREPOSITION: op, bij, in, aan, van, om, naar, tegen, te, voor, ter, tot, à;
USER: bij, op, tegen, in, aan
GT
GD
C
H
L
M
O
august
/ɔːˈɡʌst/ = ADJECTIVE: verheven, doorluchtig;
USER: augustus, verheven
GT
GD
C
H
L
M
O
baccalaureate
GT
GD
C
H
L
M
O
bachelor
/ˈbætʃ.əl.ər/ = NOUN: vrijgezel;
USER: vrijgezel, bachelor, bachelor in, bachelor in de, bacheloropleiding
GT
GD
C
H
L
M
O
back
/bæk/ = ADVERB: terug, achteruit, achterwaarts;
NOUN: rug, achterkant, achterzijde, achterste, rugleuning, ommezijde, rugstuk;
VERB: steunen, teruggaan;
USER: terug, rug, opnieuw, achterkant, weer
GT
GD
C
H
L
M
O
basic
/ˈbeɪ.sɪk/ = ADJECTIVE: basis-, fundamenteel, basisch;
NOUN: fundament;
USER: basis-, basisch, fundamenteel, Basic, basis
GT
GD
C
H
L
M
O
bean
/biːn/ = NOUN: boon, tuinboon, veldboon, witte boon;
USER: boon, bonen, bean, boon van
GT
GD
C
H
L
M
O
beans
/biːn/ = NOUN: boon, tuinboon, veldboon, witte boon;
USER: bonen, bonen van, beans, De bonen, De bonen van
GT
GD
C
H
L
M
O
boundary
/ˈbaʊn.dər.i/ = NOUN: grens, grenslijn, perk, landpaal, scheidspaal;
USER: grens, begrenzing, grenzen, rand, grenslijn
GT
GD
C
H
L
M
O
bugs
/bʌɡ/ = NOUN: wandgedierte;
USER: bugs, insecten, fouten, beestjes
GT
GD
C
H
L
M
O
calls
/kɔːl/ = VERB: noemen, roepen, oproepen, heten, beroepen, uitroepen, aandoen, stoppen, benoemen;
NOUN: roep, telefoontje, telefoongesprek;
USER: gesprekken, oproepen, bellen, roept, vraagt
GT
GD
C
H
L
M
O
carried
/ˈkær.i/ = VERB: voeren, dragen, vervoeren, brengen, meedragen, overbrengen, meevoeren, sjouwen, meebrengen, wegvoeren, voorhebben, medevoeren;
USER: uitgevoerd, gedragen, verricht, uitgevoerde, vervoerd
GT
GD
C
H
L
M
O
cases
/keɪs/ = NOUN: geval, zaak, koffer, kast, kist, doos, koker, omhulsel, huls, aangelegenheid, affaire, naamval, foedraal, overtrek, ding, trommel, bus;
USER: gevallen, zaken, hoesjes, geval, de gevallen
GT
GD
C
H
L
M
O
causes
/kɔːz/ = NOUN: oorzaak, reden, zaak, proces, aangelegenheid, rechtszaak;
VERB: veroorzaken, zorgen dat, doen, laten, teweegbrengen, aanrichten, maken, maken dat, baren, laten doen;
USER: oorzaken, oorzaak, veroorzaakt, de oorzaken, doelen
GT
GD
C
H
L
M
O
chat
/tʃæt/ = VERB: praten, babbelen, keuvelen, snappen;
NOUN: gepraat, kout, gekeuvel, gebabbel, gesnap;
USER: babbelen, praten, chatten, praatje, kletsen
GT
GD
C
H
L
M
O
college
/ˈkɒl.ɪdʒ/ = NOUN: college, universiteit, faculteit, gevangenis;
USER: college, universiteit, hogeschool, universiteits, school
GT
GD
C
H
L
M
O
community
/kəˈmjuː.nə.ti/ = NOUN: gemeenschap, gemeente, maatschappij;
ADJECTIVE: gemeente-;
USER: gemeenschap, community, de Gemeenschap, communautair, de communautaire
GT
GD
C
H
L
M
O
computer
/kəmˈpjuː.tər/ = NOUN: computer;
USER: computer, de computer, computer te
GT
GD
C
H
L
M
O
concerts
/ˈkɒn.sət/ = NOUN: concert, overeenstemming, harmonie;
USER: concerten, koncerten, events, concert, concerten in
GT
GD
C
H
L
M
O
consultant
/kənˈsʌl.tənt/ = NOUN: consultant, consulterend geneesheer;
USER: consultant, adviseur, consulent
GT
GD
C
H
L
M
O
creating
/kriˈeɪt/ = VERB: creëren, scheppen, teweegbrengen, voortbrengen, benoemen tot, aanstellen tot;
USER: creëren, het creëren, het creëren van, maken, creëren van
GT
GD
C
H
L
M
O
crm
= USER: crm, crm In
GT
GD
C
H
L
M
O
culture
/ˈkʌl.tʃər/ = NOUN: cultuur, beschaving, teelt, bouw, bebouwing, verbouw, beschaafdheid;
VERB: kweken, ontwikkelen, telen, verbouwen, beschaven;
USER: cultuur, de cultuur, culturele, kweek, cultuur van
GT
GD
C
H
L
M
O
current
/ˈkʌr.ənt/ = NOUN: stroom, stroming, loop, stekking, richting;
ADJECTIVE: actueel, courant, tegenwoordig, recent, gangbaar, in omloop, algemeen verspreid;
USER: stroom, actueel, courant, huidige, actuele
GT
GD
C
H
L
M
O
customer
/ˈkʌs.tə.mər/ = NOUN: klant, afnemer, cliënt, consument;
USER: klant, afnemer, klanten, klantenservice, de klant
GT
GD
C
H
L
M
O
databases
/ˈdatəˌbās,ˈdā-/ = USER: databanken, databases, gegevensbanken, gegevensbestanden, database
GT
GD
C
H
L
M
O
de
GT
GD
C
H
L
M
O
december
/dɪˈsem.bər/ = NOUN: december, wintermaand;
ADJECTIVE: december-
GT
GD
C
H
L
M
O
degree
/dɪˈɡriː/ = NOUN: mate, graad, trap, stand, rang;
USER: graad, mate, graden, diploma, degree
GT
GD
C
H
L
M
O
demo
/ˈdem.əʊ/ = NOUN: demonstratie;
USER: demonstratie, demo
GT
GD
C
H
L
M
O
design
/dɪˈzaɪn/ = NOUN: ontwerp, opzet, tekening, plan, doel, bedoeling, werkje, oogmerk, schets;
VERB: ontwerpen, tekenen, schetsen, beogen, aanwijzen, bedoelen, bestemmen;
USER: ontwerp, ontwerpen, ontwerp van, ontwerpzone
GT
GD
C
H
L
M
O
designing
/dɪˈzaɪ.nɪŋ/ = VERB: aanduiden, aanwijzen, bestemmen, noemen;
USER: ontwerpen, het ontwerpen van, het ontwerpen, ontwerpen van, ontwerp
GT
GD
C
H
L
M
O
developed
/dɪˈvel.əpt/ = ADJECTIVE: ontwikkelend;
USER: ontwikkeld, ontwikkelde, ontwikkelden, ontwikkeling, ontwikkelen
GT
GD
C
H
L
M
O
developer
/dɪˈvel.ə.pər/ = NOUN: ontwikkelaar;
USER: ontwikkelaar, Developer, Ontwikkelaarsinformatie, ontwikkelaars, Softwareontwikkelaar
GT
GD
C
H
L
M
O
development
/dɪˈvel.əp.mənt/ = NOUN: ontwikkeling, evolutie, verloop, bebouwing, ontvouwing;
USER: ontwikkeling, de ontwikkeling, ontwikkeling van, ontwikkelen, de ontwikkeling van
GT
GD
C
H
L
M
O
diploma
/dɪˈpləʊ.mə/ = NOUN: diploma, bul, brevet, akte;
USER: diploma, diploma van, diplomacontract
GT
GD
C
H
L
M
O
documentation
/ˌdɒk.jʊ.menˈteɪ.ʃən/ = NOUN: documentatie;
USER: documentatie, documenten, documentatie van, de documentatie, documentatie bij
GT
GD
C
H
L
M
O
eclipse
/ɪˈklɪps/ = NOUN: verduistering, eclips;
VERB: verduisteren;
USER: eclips, verduistering, eclipse, zonsverduistering
GT
GD
C
H
L
M
O
edition
/ɪˈdɪʃ.ən/ = NOUN: uitgave, editie, druk, variant, uitgaaf;
USER: editie, uitgave, uitgave in, uitgave in het, versie
GT
GD
C
H
L
M
O
education
/ˌed.jʊˈkeɪ.ʃən/ = NOUN: onderwijs, opvoeding, vorming, ontwikkeling;
USER: onderwijs, het onderwijs, opleiding, educatie
GT
GD
C
H
L
M
O
electronics
/ilekˈträniks,ˌēlek-/ = NOUN: elektronica;
USER: elektronica, Electronics, Elektrotechniek, elektronika
GT
GD
C
H
L
M
O
email
/ˈiː.meɪl/ = USER: e-mail, email, e, mail
GT
GD
C
H
L
M
O
enterprise
/ˈen.tə.praɪz/ = NOUN: onderneming, bedrijf, ondernemingsgeest, initiatief, waagstuk, speculatie;
USER: onderneming, enterprise, ondernemingen, bedrijf, bedrijven
GT
GD
C
H
L
M
O
entity
/ˈen.tɪ.ti/ = NOUN: geheel, wezen, zijn;
USER: geheel, wezen, entiteit, dienst, eenheid
GT
GD
C
H
L
M
O
environments
/enˈvīrənmənt,-ˈvī(ə)rn-/ = NOUN: milieu, omgeving, omsingelen, medium;
USER: omgevingen, milieus, omgeving, milieu
GT
GD
C
H
L
M
O
equivalence
/ɪˈkwɪv.əl.ənt/ = NOUN: gelijkwaardigheid, equivalent;
USER: gelijkwaardigheid, equivalentie, gelijkwaardig, gelijkstelling, de gelijkwaardigheid
GT
GD
C
H
L
M
O
erp
= USER: erp, erpen
GT
GD
C
H
L
M
O
experience
/ikˈspi(ə)rēəns/ = NOUN: ervaring, belevenis, ondervinding;
VERB: ervaren, ondervinden;
USER: ervaring, bieden, ervaringen, verbeteren, te verbeteren
GT
GD
C
H
L
M
O
exploratory
/ɪkˈsplɒrət(ə)ri,ɛk-/ = ADJECTIVE: informatief, onderzoekings-;
USER: verkennende, verkennend, oriënterende, exploratieve, oriënterend"
GT
GD
C
H
L
M
O
faculty
/ˈfæk.əl.ti/ = NOUN: faculteit, vermogen, bevoegdheid, gave;
USER: faculteit, facultaire, Departement, Faculty, docenten
GT
GD
C
H
L
M
O
features
/ˈfiː.tʃər/ = VERB: kenmerken, karakteriseren, schetsen, op de eerste plaats stellen;
NOUN: trek, gelaatstrek, hoofdtrek, voornaamste stuk;
USER: functies, kenmerken, eigenschappen, features, mogelijkheden
GT
GD
C
H
L
M
O
february
/ˈfeb.ru.ər.i/ = NOUN: februari, sprokkelmaand
GT
GD
C
H
L
M
O
fidelity
/fɪˈdel.ə.ti/ = NOUN: trouw, getrouwheid;
USER: trouw, getrouwheid, fidelity, Extra bonus punten, betrouwbaarheid
GT
GD
C
H
L
M
O
for
/fɔːr/ = PREPOSITION: voor, om, naar, tot, gedurende, wegens, uit, in plaats van, van wege;
CONJUNCTION: want, omdat, daar;
USER: voor, voor de, van, voor het, te
GT
GD
C
H
L
M
O
found
/faʊnd/ = VERB: stichten, baseren, funderen, grondvesten, gronden, oprichten, gieten;
USER: gevonden, vond, vinden, vonden, hebben gevonden
GT
GD
C
H
L
M
O
framework
/ˈfreɪm.wɜːk/ = NOUN: kader, raam, geraamte, omlijsting, lijstwerk, lijst;
USER: kader, raamwerk, kaderregeling, kader van, raam
GT
GD
C
H
L
M
O
from
/frɒm/ = PREPOSITION: van, uit, vanaf, vanuit, door, naar, met ingang van, vandaan, sedert, ten gevolge van, wegens, van ... af;
USER: van, uit, vanaf, vanuit, van de
GT
GD
C
H
L
M
O
fulfill
/fʊlˈfɪl/ = VERB: vervullen, uitvoeren, volbrengen, beantwoorden aan;
USER: vervullen, voldoen, voldoen aan, te vervullen, te voldoen
GT
GD
C
H
L
M
O
g
/dʒiː/ = NOUN: sol;
USER: g, AL, gram, gr
GT
GD
C
H
L
M
O
grails
GT
GD
C
H
L
M
O
groups
/ɡruːp/ = NOUN: groep, groepering;
VERB: groeperen;
USER: groepen, Groups, Grote groepen, voor groepen, groep
GT
GD
C
H
L
M
O
had
/hæd/ = VERB: hebben, krijgen, bezitten, houden, gebruiken, ontvangen;
USER: had, hadden, gehad, moest, moesten
GT
GD
C
H
L
M
O
hibernate
/ˈhaɪ.bə.neɪt/ = VERB: overwinteren, de winterslaap houden;
USER: overwinteren, slaapstand, winterslaap, hibernate, hiberneren
GT
GD
C
H
L
M
O
i
/aɪ/ = PRONOUN: ik, mij, me;
USER: ik, i, ik heb, mij, me
GT
GD
C
H
L
M
O
implementation
/ˈɪm.plɪ.ment/ = NOUN: uitvoering, verwezenlijking,, verwezenlijking, implementatie
GT
GD
C
H
L
M
O
in
/ɪn/ = PREPOSITION: in, op, bij, aan, te, uit, naar, ter, over, volgens, voor-;
ADVERB: binnen, thuis;
USER: in, op, in de, van, in het
GT
GD
C
H
L
M
O
indoor
/ˌɪnˈdɔːr/ = ADJECTIVE: binnen-, huis-;
USER: binnen-, binnen, overdekt, binnenzwembad, indoor
GT
GD
C
H
L
M
O
information
/ˌɪn.fəˈmeɪ.ʃən/ = NOUN: informatie, kennisgeving, inlichting, verwittiging;
USER: informatie, gegevens, info, inlichtingen
GT
GD
C
H
L
M
O
infrastructure
/ˈinfrəˌstrəkCHər/ = NOUN: infrastructuur;
USER: infrastructuur, de infrastructuur, infrastructurele, infrastructuren
GT
GD
C
H
L
M
O
integrated
/ˈɪn.tɪ.ɡreɪt/ = VERB: integreren, volledig maken, verenigen;
USER: geïntegreerd, geïntegreerde, opgenomen, integreren, integratie
GT
GD
C
H
L
M
O
intellij
GT
GD
C
H
L
M
O
internship
/ˈɪn.tɜːn.ʃɪp/ = USER: stage, internship, stageplaats
GT
GD
C
H
L
M
O
involving
/ɪnˈvɒlv/ = VERB: betrekken, met zich brengen, verwikkelen, wikkelen in, na zich slepen;
USER: waarbij, betrekken, met, betrekking, met betrekking
GT
GD
C
H
L
M
O
is
/ɪz/ = USER: is, ligt, wordt, is het
GT
GD
C
H
L
M
O
january
/ˈdʒæn.jʊ.ri/ = NOUN: januari, louwmaand;
ADJECTIVE: januari-
GT
GD
C
H
L
M
O
jasper
/ˈjaspər/ = NOUN: jaspis;
USER: jaspis, Jasper
GT
GD
C
H
L
M
O
java
/ˈdʒɑː.və/ = NOUN: javakoffie;
USER: Java, van Java
GT
GD
C
H
L
M
O
jpa
= USER: PPV, JPA, Paritaire Parlementaire Vergadering, Paritaire Parlementaire,
GT
GD
C
H
L
M
O
jquery
= USER: jQuery, van jQuery,
GT
GD
C
H
L
M
O
july
/dʒʊˈlaɪ/ = NOUN: juli, hooimaand;
ADJECTIVE: juli-
GT
GD
C
H
L
M
O
junior
/ˈdʒuː.ni.ər/ = NOUN: junior, jongere;
ADJECTIVE: jongere, jongste;
USER: junior, ondergeschikte, ondergeschikt, mindere
GT
GD
C
H
L
M
O
language
/ˈlæŋ.ɡwɪdʒ/ = NOUN: taal, spraak;
USER: taal, talen, eigen taal, language, taal wijzigen
GT
GD
C
H
L
M
O
like
/laɪk/ = ADJECTIVE: zoals, gelijk, soortgelijk, dergelijk;
PREPOSITION: zoals, als, zo;
CONJUNCTION: zoals, als, alsof;
VERB: willen;
NOUN: gelijke;
USER: zoals, als, alsof, net als
GT
GD
C
H
L
M
O
linux
/ˈlaɪnəks/ = USER: linux, van Linux,
GT
GD
C
H
L
M
O
localization
/ˌləʊkəlaɪˈzeɪʃən/ = USER: lokalisatie, localisatie, lokalisering, lokaliseren, lokalisatie van
GT
GD
C
H
L
M
O
management
/ˈmæn.ɪdʒ.mənt/ = NOUN: beheer, bestuur, directie, leiding, behandeling, besturing, administratie, overleg;
USER: beheer, het beheer, beheer van, het management, het beheer van
GT
GD
C
H
L
M
O
map
/mæp/ = NOUN: kaart, landkaart, hemelkaart;
VERB: in kaart brengen, indelen, arrangeren;
USER: kaart, map, plan, de kaart, op de
GT
GD
C
H
L
M
O
maps
/mæp/ = NOUN: kaart, landkaart, hemelkaart;
VERB: in kaart brengen, indelen, arrangeren;
USER: kaarten, kaarten voor, Maps, kaart, kaarten te
GT
GD
C
H
L
M
O
may
/meɪ/ = VERB: kunnen, mogen;
NOUN: meidoorn, maagd;
USER: kunnen, mogen, kan, mag, kunnen de
GT
GD
C
H
L
M
O
means
/miːnz/ = NOUN: middel, middelen, inkomsten;
USER: middelen, middel, betekent, betekent dat, verstaan
GT
GD
C
H
L
M
O
members
/ˈmem.bər/ = NOUN: ledematen;
USER: leden, lid, de leden, leden worden, leden van
GT
GD
C
H
L
M
O
messaging
= VERB: overbrengen, seinen;
USER: messaging, Berichten, zoeken Berichten
GT
GD
C
H
L
M
O
methodologies
/ˌmeTHəˈdäləjē/ = NOUN: methodologie, methdeleer;
USER: methodieken, methodologieën, methoden, methodes, methodologie
GT
GD
C
H
L
M
O
methodology
/ˌmeTHəˈdäləjē/ = NOUN: methodologie, methdeleer;
USER: methodologie, methode, methodiek, methoden, werkwijze
GT
GD
C
H
L
M
O
methods
/ˈmeθ.əd/ = NOUN: metodiek;
USER: methoden, methodes, werkwijzen, methoden voor
GT
GD
C
H
L
M
O
months
/mʌnθ/ = NOUN: maand;
USER: maanden, maand, maanden na, jaar
GT
GD
C
H
L
M
O
mvc
= USER: mvc, van MVC,
GT
GD
C
H
L
M
O
national
/ˈnæʃ.ən.əl/ = ADJECTIVE: nationaal, vaderlands, volks-, staats-, lands-;
USER: nationaal, nationale, de nationale, het nationale
GT
GD
C
H
L
M
O
net
/net/ = NOUN: netto, net, netwerk, netje, vitrage, netto prijs, valstrik, strik, haarnetje;
ADVERB: netto;
ADJECTIVE: netto-;
VERB: met een net vangen;
USER: netto, net, de netto, netwerk
GT
GD
C
H
L
M
O
network
/ˈnet.wɜːk/ = NOUN: netwerk, net, radiostation, tv-station;
USER: netwerk, net, network, het netwerk
GT
GD
C
H
L
M
O
notifications
/ˌnəʊ.tɪ.fɪˈkeɪ.ʃən/ = NOUN: kennisgeving, bekendmaking, aankondiging, aanzegging, verkondiging, aanschrijving;
USER: meldingen, notificaties, aanmeldingen, kennisgevingen, mededelingen
GT
GD
C
H
L
M
O
october
/ɒkˈtəʊ.bər/ = NOUN: oktober, wijnmaand;
ADJECTIVE: October-
GT
GD
C
H
L
M
O
of
/əv/ = PREPOSITION: van, over, bij;
USER: van, van de, van het, of, over
GT
GD
C
H
L
M
O
office
/ˈɒf.ɪs/ = NOUN: kantoor, bureau, ambt, dienst, taak, spreekkamer, ministerie, officie, betrekking, kerkdienst, bediendenkamer, mis, godsdienstoefening, teken, wenk;
USER: kantoor, bureau, Office, zetel, het kantoor
GT
GD
C
H
L
M
O
on
/ɒn/ = ADVERB: op, door, verder, voort, erop;
PREPOSITION: op, over, aan, in, bij, met, om, te, na, on-suffix, on;
USER: op, over, aan, op de, on
GT
GD
C
H
L
M
O
operating
/ˈäpəˌrāt/ = ADJECTIVE: werkzaam, bedrijfs-;
USER: werkzaam, operationele, actief, werken, exploitatie
GT
GD
C
H
L
M
O
oracle
/ˈɒr.ə.kl̩/ = NOUN: orakel, godsspraak;
VERB: orakelen;
USER: orakel, oracle, aanspraakplaats, van Oracle
GT
GD
C
H
L
M
O
organizes
/ˈɔː.ɡən.aɪz/ = VERB: organiseren, regelen, bewerktuigen, uitschrijven;
USER: organiseert, georganiseerd, organiseren, verzorgt, organiseert het
GT
GD
C
H
L
M
O
other
/ˈʌð.ər/ = ADJECTIVE: ander, anders, nog, verschillend;
PRONOUN: ander, anders;
ADVERB: anders;
USER: ander, anders, andere, overige, meer
GT
GD
C
H
L
M
O
outdoor
/ˈaʊtˌdɔːr/ = ADJECTIVE: openlucht-, buiten-, buitenshuis-, buiten het parlement;
USER: buiten-, openlucht, buiten, outdoor, buitenzwembad
GT
GD
C
H
L
M
O
partitioning
= VERB: verdelen, afscheiden, afschutten;
USER: partitionering, partitioneren, partitioning, compartimentering, scheidingswanden"
GT
GD
C
H
L
M
O
patterns
/ˈpæt.ən/ = NOUN: patroon, model, voorbeeld, knippatroon, toonbeeld, staal;
USER: patronen, patterns, patroon, patronen te
GT
GD
C
H
L
M
O
photoshop
= USER: photoshop, photoshop wordt, van Photoshop
GT
GD
C
H
L
M
O
planning
/ˈplæn.ɪŋ/ = NOUN: planning, het ontwerpen, opzet, regeling;
USER: planning, plan, van plan, plannen, het plannen
GT
GD
C
H
L
M
O
plugin
/ˈplʌgɪn/ = USER: plugin, plugin moeten, plug
GT
GD
C
H
L
M
O
practicing
/ˈpræk.tɪs/ = VERB: oefenen, beoefenen, uitoefenen, toepassen, in praktijk brengen, instuderen, doorvoeren, aanwenden, drillen, in toepassing brengen, zich oefenen in;
USER: oefenen, beoefenen, het beoefenen, het beoefenen van, beoefenen van
GT
GD
C
H
L
M
O
present
/ˈprez.ənt/ = VERB: presenteren, voorleggen, voorstellen;
ADJECTIVE: present, aanwezig, tegenwoordig, onderhavig, actueel;
NOUN: cadeau, geschenk, het heden, tegenwoordige tijd;
USER: presenteren, aanwezig, te presenteren, stellen, aanwezige
GT
GD
C
H
L
M
O
previous
/ˈpriː.vi.əs/ = ADJECTIVE: vorig, voorgaand, voorafgaand, vroeger, verleden, voorbarig;
USER: vorig, voorgaand, vorige, voorgaande, eerdere
GT
GD
C
H
L
M
O
principles
/ˈprɪn.sɪ.pl̩/ = NOUN: beginsel, principe, grondbeginsel, stelregel, element, bron, bestanddeel;
USER: principes, uitgangspunten, beginselen, beginselen van, de beginselen
GT
GD
C
H
L
M
O
producer
/prəˈdjuː.sər/ = NOUN: producent, regisseur, voortbrenger, toneelleider, spelleider;
USER: producent, producer, producenten, producentenorganisaties, producerende
GT
GD
C
H
L
M
O
programming
/ˈprōˌgram,-grəm/ = VERB: programmeren;
USER: programmering, programmeren, de programmering, programmeer, programmeertaal
GT
GD
C
H
L
M
O
project
/ˈprɒdʒ.ekt/ = VERB: projecteren, ontwerpen, beramen, werpen, vooruitsteken, uitspringen, slingeren, uitschieten;
NOUN: plan, ontwerp, onderneming;
USER: project, projecten, het project
GT
GD
C
H
L
M
O
projects
/ˈprɒdʒ.ekt/ = VERB: projecteren, ontwerpen, beramen, werpen, vooruitsteken, uitspringen, slingeren, uitschieten;
NOUN: plan, ontwerp, onderneming;
USER: projecten, projecten die, project
GT
GD
C
H
L
M
O
quality
/ˈkwɒl.ɪ.ti/ = NOUN: kwaliteit, eigenschap, hoedanigheid, rang, aard, bekwaamheid, karaktertrek, hoge stand, aanleg;
USER: kwaliteit, de kwaliteit, kwaliteit van
GT
GD
C
H
L
M
O
register
/ˈredʒ.ɪ.stər/ = VERB: registreren, inschrijven, aangeven, aantekenen, aanwijzen, nota nemen van;
NOUN: register, lijst, kiezerslijst, orgelregister, stemregister, sleutel;
USER: registreren, inschrijven, register, registreer, meld
GT
GD
C
H
L
M
O
reporting
/rɪˈpɔːt/ = VERB: rapporteren, melden, berichten, rapport uitbrengen, informeren, inlichten, rapport maken van, overbrengen, verslaggever zijn, verslag geven van, reporterswerk doen, zich melden bij;
USER: rapportage, rapportering, rapporteren, melden, verslaglegging
GT
GD
C
H
L
M
O
reports
/rɪˈpɔːt/ = NOUN: verslag, rapport, bericht, slag, gerucht, knal, formulier;
VERB: rapporteren, melden, berichten, rapport uitbrengen, informeren;
USER: rapporten, verslagen, meldingen, rapportages, berichten
GT
GD
C
H
L
M
O
requirements
/rɪˈkwaɪə.mənt/ = NOUN: vereiste, eis, behoefte;
USER: eisen, vereisten, voorschriften, behoeften, voorwaarden
GT
GD
C
H
L
M
O
rest
/rest/ = NOUN: rest, rust, pauze, rustpauze, steun, nachtrust, overblijfsel;
VERB: rusten, uitrusten, blijven, steunen, laten rusten;
USER: rest, rust, rusten, overige, overblijfsel
GT
GD
C
H
L
M
O
review
/rɪˈvjuː/ = NOUN: recensie, herziening, overzicht, tijdschrift, revue, parade, boekbeoordeling, terugblik, wapenschouwing, maandschrift, inspectie;
VERB: herzien, bespreken, recenseren, overzien, overzicht geven van, in ogenschouw nemen, laten paraderen, terugzien op;
USER: beoordelen, herzien, reactie, te beoordelen, recenseer
GT
GD
C
H
L
M
O
s
= USER: s, en, Tussen, jaren, is
GT
GD
C
H
L
M
O
salesforce
= USER: salesforce, verkoopteam, verkoopafdeling, van Salesforce
GT
GD
C
H
L
M
O
servers
/ˈsɜː.vər/ = NOUN: bestek;
USER: servers, Sekties Servers, Sekties, server
GT
GD
C
H
L
M
O
service
/ˈsɜː.vɪs/ = NOUN: service, service, dienst, bediening, dienstbaarheid, dienstverrichting, servies, ambt, werk, kerkdienst, eredienst;
ADJECTIVE: dienst-;
USER: service, dienst, dienstverlening, diensten
GT
GD
C
H
L
M
O
services
/ˈsɜː.vɪs/ = NOUN: service, service, dienst, bediening, dienstbaarheid, dienstverrichting, servies, ambt, kerkdienst, werk, eredienst, opslag;
USER: diensten, services, dienstverlening, diensten van
GT
GD
C
H
L
M
O
session
/ˈseʃ.ən/ = NOUN: sessie, zitting, zittingsperiode, zittingstijd;
USER: sessie, zitting, vergaderperiode, vergadering, sessielengte
GT
GD
C
H
L
M
O
skills
/skɪl/ = NOUN: bekwaamheid, behendigheid, handigheid, bedrevenheid, ervarenheid;
USER: vaardigheden, vaardigheden te, vaardigheden die, competenties, skills
GT
GD
C
H
L
M
O
social
/ˈsəʊ.ʃəl/ = ADJECTIVE: sociaal, maatschappelijk, gezellig;
USER: sociaal, maatschappelijk, sociale, maatschappelijke, de sociale
GT
GD
C
H
L
M
O
software
/ˈsɒft.weər/ = NOUN: software, programmatuur;
USER: software, software te, programmatuur
GT
GD
C
H
L
M
O
specialties
/ˈspeʃ.əl.ti/ = NOUN: specialiteit, bijzonderheid, vak, branche, afdeling, tak;
USER: specialiteiten, specialismen, specialiteiten uit, specialiteit
GT
GD
C
H
L
M
O
specifications
/ˌspes.ɪ.fɪˈkeɪ.ʃən/ = NOUN: specificatie, nauwkeurige opgaaf;
USER: specificaties, de specificaties, gegevens, specificaties van, bestek
GT
GD
C
H
L
M
O
spring
/sprɪŋ/ = NOUN: voorjaar, lente, veer, bron, oorsprong, drijfveer, springbron, elasticiteit;
ADJECTIVE: lente-;
VERB: springen, ontspringen, opkomen, verrijzen, opwellen, opborrelen;
USER: voorjaar, lente, veer, de lente, spring
GT
GD
C
H
L
M
O
sql
= USER: sql, van SQL
GT
GD
C
H
L
M
O
staff
/stɑːf/ = NOUN: personeel, staf, notenbalk, stut, bedelstaf, steun;
USER: personeel, staf, medewerkers, het personeel, personeelsleden
GT
GD
C
H
L
M
O
stage
/steɪdʒ/ = NOUN: stadium, podium, etappe, toneel, graad, schouwtoneel, pleisterplaats, rustpunt;
ADJECTIVE: toneel-;
VERB: opvoeren, tentoonstellen;
USER: stadium, podium, etappe, toneel, fase
GT
GD
C
H
L
M
O
starting
/stɑːt/ = VERB: beginnen, starten, vertrekken, aanzetten, opschrikken, aan de gang maken;
USER: starten, beginnend, start, beginnen, begint
GT
GD
C
H
L
M
O
struts
/strət/ = USER: stutten, struts, schoren, veerpoten, steunen,
GT
GD
C
H
L
M
O
student
/ˈstjuː.dənt/ = NOUN: student, beoefenaar;
USER: student, studenten, leerling
GT
GD
C
H
L
M
O
subversion
GT
GD
C
H
L
M
O
summary
/ˈsʌm.ər.i/ = NOUN: overzicht, summier, excerpt, resumé;
ADJECTIVE: beknopt, summier, summair, paraat;
USER: overzicht, beknopt, samenvatting, summary
GT
GD
C
H
L
M
O
support
/səˈpɔːt/ = VERB: ondersteunen, steunen, onderhouden, schragen, stutten, dulden, verdragen;
NOUN: ondersteuning, steun, ondersteunen, onderhoud, houvast, ruggesteun;
USER: ondersteunen, steunen, ondersteuning, steun, ondersteuning van
GT
GD
C
H
L
M
O
swing
/swɪŋ/ = NOUN: schommel, zwaai, slingering;
VERB: zwaaien, slingeren, schommelen, balanceren, bengelen, dichtslaan, doen schommelen, doen slingeren;
USER: schommel, slingeren, zwaaien, zwaai, swing
GT
GD
C
H
L
M
O
switching
/swiCH/ = VERB: omschakelen, slaan, uitdraaien, ranselen;
USER: schakelen, switching, overschakelen, omschakelen, schakelende
GT
GD
C
H
L
M
O
system
/ˈsɪs.təm/ = NOUN: systeem, stelsel, bestel, gestel;
USER: systeem, stelsel, het systeem, systeem van
GT
GD
C
H
L
M
O
systems
/ˈsɪs.təm/ = NOUN: systeem, stelsel, bestel, gestel;
USER: systemen, systeem, systemen voor, stelsels
GT
GD
C
H
L
M
O
tasks
/tɑːsk/ = NOUN: taak, opgave, karwei, huiswerk;
VERB: taak opgeven, werk opleggen, hard laten werken, veel vergen van, op de proef stellen;
USER: taken, opdrachten, taken voor deze applicatie, taak, de taken
GT
GD
C
H
L
M
O
team
/tēm/ = NOUN: team, ploeg, elftal, equipe, span, werkgroep, toom, vlucht, bediening;
VERB: samenwerken, aanspannen;
USER: team, ploeg, team van, het team
GT
GD
C
H
L
M
O
technologies
/tekˈnɒl.ə.dʒi/ = NOUN: technologie;
USER: technologieën, technologie, technieken, technologieën te
GT
GD
C
H
L
M
O
technology
/tekˈnɒl.ə.dʒi/ = NOUN: technologie;
USER: technologie, techniek, technologische, technologieën
GT
GD
C
H
L
M
O
test
/test/ = NOUN: test, proef, toets, onderzoek, beproeving, examen, keuring, proefwerk;
VERB: toetsen, beproeven, proberen, keuren;
USER: test, proef, testen, toets
GT
GD
C
H
L
M
O
testing
/ˈtes.tɪŋ/ = VERB: toetsen, beproeven, proberen, keuren, op de proef stellen, attesteren;
USER: testen, testing, test, het testen, tests
GT
GD
C
H
L
M
O
that
/ðæt/ = CONJUNCTION: dat, opdat;
PRONOUN: dat, die, wat, welke;
ADVERB: zo;
USER: dat, die, dat de, wat
GT
GD
C
H
L
M
O
the
/ðiː/ = ARTICLE: de, het;
USER: de, het, van de
GT
GD
C
H
L
M
O
ticketing
/ˈtikit/ = USER: ticketing, kaartverkoop, ticketverkoop, een ticketservice, tickets,
GT
GD
C
H
L
M
O
to
/tuː/ = PREPOSITION: om, aan, naar, tot, voor-, bij, om te, ter, tegen, toe, tot aan, tot op, naar toe, to-, to;
USER: naar, aan, te, tot, om
GT
GD
C
H
L
M
O
tomcat
/ˈtɒm.kæt/ = NOUN: kater;
USER: kater, tomcat, van Tomcat, katertje
GT
GD
C
H
L
M
O
trade
/treɪd/ = NOUN: handel, vak, beroep, transactie, ambacht, bedrijf, handwerk, koophandel, ruilgoederen;
VERB: handelen, ruilen, handel drijven, varen;
ADJECTIVE: handels-;
USER: handel, verhandelen, ruilen, de handel, handelen
GT
GD
C
H
L
M
O
univ
= USER: univ, University, Universteit"
GT
GD
C
H
L
M
O
using
/juːz/ = NOUN: gebruik;
USER: gebruik, met, met behulp, met behulp van, gebruik van
GT
GD
C
H
L
M
O
value
/ˈvæl.juː/ = NOUN: waarde, prijs, schatting;
VERB: waarderen, taxeren, schatten;
USER: waarde, waarde heeft, value, prijs, waarde van
GT
GD
C
H
L
M
O
various
/ˈveə.ri.əs/ = ADJECTIVE: divers, verschillend, afwisselend, menigvuldig, menigvoudig;
USER: divers, verschillende, diverse, de verschillende, verscheidene
GT
GD
C
H
L
M
O
velocity
/vəˈlɒs.ɪ.ti/ = NOUN: snelheid;
USER: snelheid, snelheid van, velocity, snelheid van de, de snelheid
GT
GD
C
H
L
M
O
volunteer
/ˌvɒl.ənˈtɪər/ = NOUN: vrijwilliger, volontair;
ADJECTIVE: vrijwilligers-, vrijwillig;
VERB: vrijwillig op zich nemen, vrijwillig dienstnemen;
USER: vrijwilliger, vrijwilligerswerk, vrijwillig, vrijwilligers, vrijwilliger vrijwilligerwerks
GT
GD
C
H
L
M
O
web
/web/ = NOUN: web, weefsel, net, vlies, zwemvlies, papierrol, spinneweb, wang, koord, bindweefsel, zaagblad, baard;
VERB: weven, inweven, met een netwerk bedekken, in een netwerk verstrikken;
USER: web, internetbrowser, webpagina, website
GT
GD
C
H
L
M
O
windows
/ˈwɪn.dəʊ/ = NOUN: venster, raam, etalage, loket, opening;
VERB: van vensters voorzien;
USER: ramen, windows, ruiten, vensters
GT
GD
C
H
L
M
O
with
/wɪð/ = PREPOSITION: met, bij, van, door, samen met;
USER: met, met een, van, bij, met de
GT
GD
C
H
L
M
O
xhtml
GT
GD
C
H
L
M
O
xml
/ˌeks.emˈel/ = USER: xml, van XML,
GT
GD
C
H
L
M
O
year
/jɪər/ = NOUN: jaar
GT
GD
C
H
L
M
O
years
/jɪər/ = NOUN: jaar;
USER: jaren, jaar, jarige, jaar oud
196 words