Dutch Vocabulary
Click on letter: GT-Google Translate; GD-Google Define; H-Collins; L-Longman; M-Macmillan; O-Oxford; © or C-Cambridge

GT GD C H L M O
a

GT GD C H L M O
access /ˈæk.ses/ = NOUN: toegang, toegankelijkheid, vlaag, oprit, opwelling, genaakbaarheid, vatbaarheid, nadering, aangroeiing, aanval, vermeerdering, toeneming; USER: toegang, toegang tot, Nog, naar, openen

GT GD C H L M O
adobe /əˈdəʊ.bi/ = NOUN: in de zon gebakken klei; USER: adobe, lemen, van Adobe

GT GD C H L M O
agile /ˈædʒ.aɪl/ = ADJECTIVE: behendig, lenig, vlug, rap; USER: behendig, agile, wendbaar, behendige, flexibele

GT GD C H L M O
also /ˈɔːl.səʊ/ = ADVERB: ook, eveneens, tevens, bovendien, evenals, mee, evenzo, insgelijks; USER: ook, tevens, eveneens, ook de, bovendien

GT GD C H L M O
an /ən/ = ARTICLE: een; USER: een, van een, de

GT GD C H L M O
analysis /əˈnæl.ə.sɪs/ = NOUN: analyse, ontleding, overzicht, zinsontleding, ontbinding; USER: analyse, analyses, analyseren, analyse van

GT GD C H L M O
and /ænd/ = CONJUNCTION: en; USER: en, en de, en het

GT GD C H L M O
apache = NOUN: apache, straatschuimer; USER: apache, een Apache, van Apache, apache Niet

GT GD C H L M O
api /ˌeɪ.piˈaɪ/ = USER: api, van api, api op

GT GD C H L M O
application /ˌæp.lɪˈkeɪ.ʃən/ = NOUN: toepassing, aanvraag, gebruik, inschrijving, sollicitatie, aanmelding, aanbrenging, aanwending, toewijding, ijver, vlijt, omslag, inspanning; USER: toepassing, aanvraag, applicatie, verzoek, de toepassing

GT GD C H L M O
applications /ˌæp.lɪˈkeɪ.ʃən/ = NOUN: toepassing, aanvraag, gebruik, inschrijving, sollicitatie, aanmelding, aanbrenging, aanwending, toewijding, ijver, vlijt, omslag, inspanning; USER: toepassingen, applicaties, aanvragen, verzoeken

GT GD C H L M O
april /ˈeɪ.prəl/ = NOUN: april, grasmaand; ADJECTIVE: april-

GT GD C H L M O
arts /ɑːt/ = NOUN: kunst, kunstgreep, list; USER: arts, kunst, kunsten

GT GD C H L M O
assigned /əˈsaɪn/ = VERB: toewijzen, overdragen, aanwijzen, bepalen, toeschrijven, bestemmen, toebedelen, vaststellen, aangeven; USER: toegewezen, toegekend, ingedeeld, is toegewezen, opgedragen

GT GD C H L M O
assurance /əˈʃʊərəns/ = NOUN: zekerheid, verzekering, zelfvertrouwen, assurantie, onbeschaamdheid; USER: zekerheid, verzekering, garantie, assurance, mate van zekerheid

GT GD C H L M O
at /ət/ = PREPOSITION: op, bij, in, aan, van, om, naar, tegen, te, voor, ter, tot, à; USER: bij, op, tegen, in, aan

GT GD C H L M O
august /ɔːˈɡʌst/ = ADJECTIVE: verheven, doorluchtig; USER: augustus, verheven

GT GD C H L M O
baccalaureate

GT GD C H L M O
bachelor /ˈbætʃ.əl.ər/ = NOUN: vrijgezel; USER: vrijgezel, bachelor, bachelor in, bachelor in de, bacheloropleiding

GT GD C H L M O
back /bæk/ = ADVERB: terug, achteruit, achterwaarts; NOUN: rug, achterkant, achterzijde, achterste, rugleuning, ommezijde, rugstuk; VERB: steunen, teruggaan; USER: terug, rug, opnieuw, achterkant, weer

GT GD C H L M O
basic /ˈbeɪ.sɪk/ = ADJECTIVE: basis-, fundamenteel, basisch; NOUN: fundament; USER: basis-, basisch, fundamenteel, Basic, basis

GT GD C H L M O
bean /biːn/ = NOUN: boon, tuinboon, veldboon, witte boon; USER: boon, bonen, bean, boon van

GT GD C H L M O
beans /biːn/ = NOUN: boon, tuinboon, veldboon, witte boon; USER: bonen, bonen van, beans, De bonen, De bonen van

GT GD C H L M O
boundary /ˈbaʊn.dər.i/ = NOUN: grens, grenslijn, perk, landpaal, scheidspaal; USER: grens, begrenzing, grenzen, rand, grenslijn

GT GD C H L M O
bugs /bʌɡ/ = NOUN: wandgedierte; USER: bugs, insecten, fouten, beestjes

GT GD C H L M O
calls /kɔːl/ = VERB: noemen, roepen, oproepen, heten, beroepen, uitroepen, aandoen, stoppen, benoemen; NOUN: roep, telefoontje, telefoongesprek; USER: gesprekken, oproepen, bellen, roept, vraagt

GT GD C H L M O
carried /ˈkær.i/ = VERB: voeren, dragen, vervoeren, brengen, meedragen, overbrengen, meevoeren, sjouwen, meebrengen, wegvoeren, voorhebben, medevoeren; USER: uitgevoerd, gedragen, verricht, uitgevoerde, vervoerd

GT GD C H L M O
cases /keɪs/ = NOUN: geval, zaak, koffer, kast, kist, doos, koker, omhulsel, huls, aangelegenheid, affaire, naamval, foedraal, overtrek, ding, trommel, bus; USER: gevallen, zaken, hoesjes, geval, de gevallen

GT GD C H L M O
causes /kɔːz/ = NOUN: oorzaak, reden, zaak, proces, aangelegenheid, rechtszaak; VERB: veroorzaken, zorgen dat, doen, laten, teweegbrengen, aanrichten, maken, maken dat, baren, laten doen; USER: oorzaken, oorzaak, veroorzaakt, de oorzaken, doelen

GT GD C H L M O
chat /tʃæt/ = VERB: praten, babbelen, keuvelen, snappen; NOUN: gepraat, kout, gekeuvel, gebabbel, gesnap; USER: babbelen, praten, chatten, praatje, kletsen

GT GD C H L M O
college /ˈkɒl.ɪdʒ/ = NOUN: college, universiteit, faculteit, gevangenis; USER: college, universiteit, hogeschool, universiteits, school

GT GD C H L M O
community /kəˈmjuː.nə.ti/ = NOUN: gemeenschap, gemeente, maatschappij; ADJECTIVE: gemeente-; USER: gemeenschap, community, de Gemeenschap, communautair, de communautaire

GT GD C H L M O
computer /kəmˈpjuː.tər/ = NOUN: computer; USER: computer, de computer, computer te

GT GD C H L M O
concerts /ˈkɒn.sət/ = NOUN: concert, overeenstemming, harmonie; USER: concerten, koncerten, events, concert, concerten in

GT GD C H L M O
consultant /kənˈsʌl.tənt/ = NOUN: consultant, consulterend geneesheer; USER: consultant, adviseur, consulent

GT GD C H L M O
creating /kriˈeɪt/ = VERB: creëren, scheppen, teweegbrengen, voortbrengen, benoemen tot, aanstellen tot; USER: creëren, het creëren, het creëren van, maken, creëren van

GT GD C H L M O
crm = USER: crm, crm In

GT GD C H L M O
culture /ˈkʌl.tʃər/ = NOUN: cultuur, beschaving, teelt, bouw, bebouwing, verbouw, beschaafdheid; VERB: kweken, ontwikkelen, telen, verbouwen, beschaven; USER: cultuur, de cultuur, culturele, kweek, cultuur van

GT GD C H L M O
current /ˈkʌr.ənt/ = NOUN: stroom, stroming, loop, stekking, richting; ADJECTIVE: actueel, courant, tegenwoordig, recent, gangbaar, in omloop, algemeen verspreid; USER: stroom, actueel, courant, huidige, actuele

GT GD C H L M O
customer /ˈkʌs.tə.mər/ = NOUN: klant, afnemer, cliënt, consument; USER: klant, afnemer, klanten, klantenservice, de klant

GT GD C H L M O
databases /ˈdatəˌbās,ˈdā-/ = USER: databanken, databases, gegevensbanken, gegevensbestanden, database

GT GD C H L M O
de

GT GD C H L M O
december /dɪˈsem.bər/ = NOUN: december, wintermaand; ADJECTIVE: december-

GT GD C H L M O
degree /dɪˈɡriː/ = NOUN: mate, graad, trap, stand, rang; USER: graad, mate, graden, diploma, degree

GT GD C H L M O
demo /ˈdem.əʊ/ = NOUN: demonstratie; USER: demonstratie, demo

GT GD C H L M O
design /dɪˈzaɪn/ = NOUN: ontwerp, opzet, tekening, plan, doel, bedoeling, werkje, oogmerk, schets; VERB: ontwerpen, tekenen, schetsen, beogen, aanwijzen, bedoelen, bestemmen; USER: ontwerp, ontwerpen, ontwerp van, ontwerpzone

GT GD C H L M O
designing /dɪˈzaɪ.nɪŋ/ = VERB: aanduiden, aanwijzen, bestemmen, noemen; USER: ontwerpen, het ontwerpen van, het ontwerpen, ontwerpen van, ontwerp

GT GD C H L M O
developed /dɪˈvel.əpt/ = ADJECTIVE: ontwikkelend; USER: ontwikkeld, ontwikkelde, ontwikkelden, ontwikkeling, ontwikkelen

GT GD C H L M O
developer /dɪˈvel.ə.pər/ = NOUN: ontwikkelaar; USER: ontwikkelaar, Developer, Ontwikkelaarsinformatie, ontwikkelaars, Softwareontwikkelaar

GT GD C H L M O
development /dɪˈvel.əp.mənt/ = NOUN: ontwikkeling, evolutie, verloop, bebouwing, ontvouwing; USER: ontwikkeling, de ontwikkeling, ontwikkeling van, ontwikkelen, de ontwikkeling van

GT GD C H L M O
diploma /dɪˈpləʊ.mə/ = NOUN: diploma, bul, brevet, akte; USER: diploma, diploma van, diplomacontract

GT GD C H L M O
documentation /ˌdɒk.jʊ.menˈteɪ.ʃən/ = NOUN: documentatie; USER: documentatie, documenten, documentatie van, de documentatie, documentatie bij

GT GD C H L M O
eclipse /ɪˈklɪps/ = NOUN: verduistering, eclips; VERB: verduisteren; USER: eclips, verduistering, eclipse, zonsverduistering

GT GD C H L M O
edition /ɪˈdɪʃ.ən/ = NOUN: uitgave, editie, druk, variant, uitgaaf; USER: editie, uitgave, uitgave in, uitgave in het, versie

GT GD C H L M O
education /ˌed.jʊˈkeɪ.ʃən/ = NOUN: onderwijs, opvoeding, vorming, ontwikkeling; USER: onderwijs, het onderwijs, opleiding, educatie

GT GD C H L M O
electronics /ilekˈträniks,ˌēlek-/ = NOUN: elektronica; USER: elektronica, Electronics, Elektrotechniek, elektronika

GT GD C H L M O
email /ˈiː.meɪl/ = USER: e-mail, email, e, mail

GT GD C H L M O
enterprise /ˈen.tə.praɪz/ = NOUN: onderneming, bedrijf, ondernemingsgeest, initiatief, waagstuk, speculatie; USER: onderneming, enterprise, ondernemingen, bedrijf, bedrijven

GT GD C H L M O
entity /ˈen.tɪ.ti/ = NOUN: geheel, wezen, zijn; USER: geheel, wezen, entiteit, dienst, eenheid

GT GD C H L M O
environments /enˈvīrənmənt,-ˈvī(ə)rn-/ = NOUN: milieu, omgeving, omsingelen, medium; USER: omgevingen, milieus, omgeving, milieu

GT GD C H L M O
equivalence /ɪˈkwɪv.əl.ənt/ = NOUN: gelijkwaardigheid, equivalent; USER: gelijkwaardigheid, equivalentie, gelijkwaardig, gelijkstelling, de gelijkwaardigheid

GT GD C H L M O
erp = USER: erp, erpen

GT GD C H L M O
experience /ikˈspi(ə)rēəns/ = NOUN: ervaring, belevenis, ondervinding; VERB: ervaren, ondervinden; USER: ervaring, bieden, ervaringen, verbeteren, te verbeteren

GT GD C H L M O
exploratory /ɪkˈsplɒrət(ə)ri,ɛk-/ = ADJECTIVE: informatief, onderzoekings-; USER: verkennende, verkennend, oriënterende, exploratieve, oriënterend"

GT GD C H L M O
faculty /ˈfæk.əl.ti/ = NOUN: faculteit, vermogen, bevoegdheid, gave; USER: faculteit, facultaire, Departement, Faculty, docenten

GT GD C H L M O
features /ˈfiː.tʃər/ = VERB: kenmerken, karakteriseren, schetsen, op de eerste plaats stellen; NOUN: trek, gelaatstrek, hoofdtrek, voornaamste stuk; USER: functies, kenmerken, eigenschappen, features, mogelijkheden

GT GD C H L M O
february /ˈfeb.ru.ər.i/ = NOUN: februari, sprokkelmaand

GT GD C H L M O
fidelity /fɪˈdel.ə.ti/ = NOUN: trouw, getrouwheid; USER: trouw, getrouwheid, fidelity, Extra bonus punten, betrouwbaarheid

GT GD C H L M O
for /fɔːr/ = PREPOSITION: voor, om, naar, tot, gedurende, wegens, uit, in plaats van, van wege; CONJUNCTION: want, omdat, daar; USER: voor, voor de, van, voor het, te

GT GD C H L M O
found /faʊnd/ = VERB: stichten, baseren, funderen, grondvesten, gronden, oprichten, gieten; USER: gevonden, vond, vinden, vonden, hebben gevonden

GT GD C H L M O
framework /ˈfreɪm.wɜːk/ = NOUN: kader, raam, geraamte, omlijsting, lijstwerk, lijst; USER: kader, raamwerk, kaderregeling, kader van, raam

GT GD C H L M O
from /frɒm/ = PREPOSITION: van, uit, vanaf, vanuit, door, naar, met ingang van, vandaan, sedert, ten gevolge van, wegens, van ... af; USER: van, uit, vanaf, vanuit, van de

GT GD C H L M O
fulfill /fʊlˈfɪl/ = VERB: vervullen, uitvoeren, volbrengen, beantwoorden aan; USER: vervullen, voldoen, voldoen aan, te vervullen, te voldoen

GT GD C H L M O
g /dʒiː/ = NOUN: sol; USER: g, AL, gram, gr

GT GD C H L M O
grails

GT GD C H L M O
groups /ɡruːp/ = NOUN: groep, groepering; VERB: groeperen; USER: groepen, Groups, Grote groepen, voor groepen, groep

GT GD C H L M O
had /hæd/ = VERB: hebben, krijgen, bezitten, houden, gebruiken, ontvangen; USER: had, hadden, gehad, moest, moesten

GT GD C H L M O
hibernate /ˈhaɪ.bə.neɪt/ = VERB: overwinteren, de winterslaap houden; USER: overwinteren, slaapstand, winterslaap, hibernate, hiberneren

GT GD C H L M O
i /aɪ/ = PRONOUN: ik, mij, me; USER: ik, i, ik heb, mij, me

GT GD C H L M O
implementation /ˈɪm.plɪ.ment/ = NOUN: uitvoering, verwezenlijking,, verwezenlijking, implementatie

GT GD C H L M O
in /ɪn/ = PREPOSITION: in, op, bij, aan, te, uit, naar, ter, over, volgens, voor-; ADVERB: binnen, thuis; USER: in, op, in de, van, in het

GT GD C H L M O
indoor /ˌɪnˈdɔːr/ = ADJECTIVE: binnen-, huis-; USER: binnen-, binnen, overdekt, binnenzwembad, indoor

GT GD C H L M O
information /ˌɪn.fəˈmeɪ.ʃən/ = NOUN: informatie, kennisgeving, inlichting, verwittiging; USER: informatie, gegevens, info, inlichtingen

GT GD C H L M O
infrastructure /ˈinfrəˌstrəkCHər/ = NOUN: infrastructuur; USER: infrastructuur, de infrastructuur, infrastructurele, infrastructuren

GT GD C H L M O
integrated /ˈɪn.tɪ.ɡreɪt/ = VERB: integreren, volledig maken, verenigen; USER: geïntegreerd, geïntegreerde, opgenomen, integreren, integratie

GT GD C H L M O
intellij

GT GD C H L M O
internship /ˈɪn.tɜːn.ʃɪp/ = USER: stage, internship, stageplaats

GT GD C H L M O
involving /ɪnˈvɒlv/ = VERB: betrekken, met zich brengen, verwikkelen, wikkelen in, na zich slepen; USER: waarbij, betrekken, met, betrekking, met betrekking

GT GD C H L M O
is /ɪz/ = USER: is, ligt, wordt, is het

GT GD C H L M O
january /ˈdʒæn.jʊ.ri/ = NOUN: januari, louwmaand; ADJECTIVE: januari-

GT GD C H L M O
jasper /ˈjaspər/ = NOUN: jaspis; USER: jaspis, Jasper

GT GD C H L M O
java /ˈdʒɑː.və/ = NOUN: javakoffie; USER: Java, van Java

GT GD C H L M O
jpa = USER: PPV, JPA, Paritaire Parlementaire Vergadering, Paritaire Parlementaire,

GT GD C H L M O
jquery = USER: jQuery, van jQuery,

GT GD C H L M O
july /dʒʊˈlaɪ/ = NOUN: juli, hooimaand; ADJECTIVE: juli-

GT GD C H L M O
junior /ˈdʒuː.ni.ər/ = NOUN: junior, jongere; ADJECTIVE: jongere, jongste; USER: junior, ondergeschikte, ondergeschikt, mindere

GT GD C H L M O
language /ˈlæŋ.ɡwɪdʒ/ = NOUN: taal, spraak; USER: taal, talen, eigen taal, language, taal wijzigen

GT GD C H L M O
like /laɪk/ = ADJECTIVE: zoals, gelijk, soortgelijk, dergelijk; PREPOSITION: zoals, als, zo; CONJUNCTION: zoals, als, alsof; VERB: willen; NOUN: gelijke; USER: zoals, als, alsof, net als

GT GD C H L M O
linux /ˈlaɪnəks/ = USER: linux, van Linux,

GT GD C H L M O
localization /ˌləʊkəlaɪˈzeɪʃən/ = USER: lokalisatie, localisatie, lokalisering, lokaliseren, lokalisatie van

GT GD C H L M O
management /ˈmæn.ɪdʒ.mənt/ = NOUN: beheer, bestuur, directie, leiding, behandeling, besturing, administratie, overleg; USER: beheer, het beheer, beheer van, het management, het beheer van

GT GD C H L M O
map /mæp/ = NOUN: kaart, landkaart, hemelkaart; VERB: in kaart brengen, indelen, arrangeren; USER: kaart, map, plan, de kaart, op de

GT GD C H L M O
maps /mæp/ = NOUN: kaart, landkaart, hemelkaart; VERB: in kaart brengen, indelen, arrangeren; USER: kaarten, kaarten voor, Maps, kaart, kaarten te

GT GD C H L M O
may /meɪ/ = VERB: kunnen, mogen; NOUN: meidoorn, maagd; USER: kunnen, mogen, kan, mag, kunnen de

GT GD C H L M O
means /miːnz/ = NOUN: middel, middelen, inkomsten; USER: middelen, middel, betekent, betekent dat, verstaan

GT GD C H L M O
members /ˈmem.bər/ = NOUN: ledematen; USER: leden, lid, de leden, leden worden, leden van

GT GD C H L M O
messaging = VERB: overbrengen, seinen; USER: messaging, Berichten, zoeken Berichten

GT GD C H L M O
methodologies /ˌmeTHəˈdäləjē/ = NOUN: methodologie, methdeleer; USER: methodieken, methodologieën, methoden, methodes, methodologie

GT GD C H L M O
methodology /ˌmeTHəˈdäləjē/ = NOUN: methodologie, methdeleer; USER: methodologie, methode, methodiek, methoden, werkwijze

GT GD C H L M O
methods /ˈmeθ.əd/ = NOUN: metodiek; USER: methoden, methodes, werkwijzen, methoden voor

GT GD C H L M O
months /mʌnθ/ = NOUN: maand; USER: maanden, maand, maanden na, jaar

GT GD C H L M O
mvc = USER: mvc, van MVC,

GT GD C H L M O
national /ˈnæʃ.ən.əl/ = ADJECTIVE: nationaal, vaderlands, volks-, staats-, lands-; USER: nationaal, nationale, de nationale, het nationale

GT GD C H L M O
net /net/ = NOUN: netto, net, netwerk, netje, vitrage, netto prijs, valstrik, strik, haarnetje; ADVERB: netto; ADJECTIVE: netto-; VERB: met een net vangen; USER: netto, net, de netto, netwerk

GT GD C H L M O
network /ˈnet.wɜːk/ = NOUN: netwerk, net, radiostation, tv-station; USER: netwerk, net, network, het netwerk

GT GD C H L M O
notifications /ˌnəʊ.tɪ.fɪˈkeɪ.ʃən/ = NOUN: kennisgeving, bekendmaking, aankondiging, aanzegging, verkondiging, aanschrijving; USER: meldingen, notificaties, aanmeldingen, kennisgevingen, mededelingen

GT GD C H L M O
october /ɒkˈtəʊ.bər/ = NOUN: oktober, wijnmaand; ADJECTIVE: October-

GT GD C H L M O
of /əv/ = PREPOSITION: van, over, bij; USER: van, van de, van het, of, over

GT GD C H L M O
office /ˈɒf.ɪs/ = NOUN: kantoor, bureau, ambt, dienst, taak, spreekkamer, ministerie, officie, betrekking, kerkdienst, bediendenkamer, mis, godsdienstoefening, teken, wenk; USER: kantoor, bureau, Office, zetel, het kantoor

GT GD C H L M O
on /ɒn/ = ADVERB: op, door, verder, voort, erop; PREPOSITION: op, over, aan, in, bij, met, om, te, na, on-suffix, on; USER: op, over, aan, op de, on

GT GD C H L M O
operating /ˈäpəˌrāt/ = ADJECTIVE: werkzaam, bedrijfs-; USER: werkzaam, operationele, actief, werken, exploitatie

GT GD C H L M O
oracle /ˈɒr.ə.kl̩/ = NOUN: orakel, godsspraak; VERB: orakelen; USER: orakel, oracle, aanspraakplaats, van Oracle

GT GD C H L M O
organizes /ˈɔː.ɡən.aɪz/ = VERB: organiseren, regelen, bewerktuigen, uitschrijven; USER: organiseert, georganiseerd, organiseren, verzorgt, organiseert het

GT GD C H L M O
other /ˈʌð.ər/ = ADJECTIVE: ander, anders, nog, verschillend; PRONOUN: ander, anders; ADVERB: anders; USER: ander, anders, andere, overige, meer

GT GD C H L M O
outdoor /ˈaʊtˌdɔːr/ = ADJECTIVE: openlucht-, buiten-, buitenshuis-, buiten het parlement; USER: buiten-, openlucht, buiten, outdoor, buitenzwembad

GT GD C H L M O
partitioning = VERB: verdelen, afscheiden, afschutten; USER: partitionering, partitioneren, partitioning, compartimentering, scheidingswanden"

GT GD C H L M O
patterns /ˈpæt.ən/ = NOUN: patroon, model, voorbeeld, knippatroon, toonbeeld, staal; USER: patronen, patterns, patroon, patronen te

GT GD C H L M O
photoshop = USER: photoshop, photoshop wordt, van Photoshop

GT GD C H L M O
planning /ˈplæn.ɪŋ/ = NOUN: planning, het ontwerpen, opzet, regeling; USER: planning, plan, van plan, plannen, het plannen

GT GD C H L M O
plugin /ˈplʌgɪn/ = USER: plugin, plugin moeten, plug

GT GD C H L M O
practicing /ˈpræk.tɪs/ = VERB: oefenen, beoefenen, uitoefenen, toepassen, in praktijk brengen, instuderen, doorvoeren, aanwenden, drillen, in toepassing brengen, zich oefenen in; USER: oefenen, beoefenen, het beoefenen, het beoefenen van, beoefenen van

GT GD C H L M O
present /ˈprez.ənt/ = VERB: presenteren, voorleggen, voorstellen; ADJECTIVE: present, aanwezig, tegenwoordig, onderhavig, actueel; NOUN: cadeau, geschenk, het heden, tegenwoordige tijd; USER: presenteren, aanwezig, te presenteren, stellen, aanwezige

GT GD C H L M O
previous /ˈpriː.vi.əs/ = ADJECTIVE: vorig, voorgaand, voorafgaand, vroeger, verleden, voorbarig; USER: vorig, voorgaand, vorige, voorgaande, eerdere

GT GD C H L M O
principles /ˈprɪn.sɪ.pl̩/ = NOUN: beginsel, principe, grondbeginsel, stelregel, element, bron, bestanddeel; USER: principes, uitgangspunten, beginselen, beginselen van, de beginselen

GT GD C H L M O
producer /prəˈdjuː.sər/ = NOUN: producent, regisseur, voortbrenger, toneelleider, spelleider; USER: producent, producer, producenten, producentenorganisaties, producerende

GT GD C H L M O
programming /ˈprōˌgram,-grəm/ = VERB: programmeren; USER: programmering, programmeren, de programmering, programmeer, programmeertaal

GT GD C H L M O
project /ˈprɒdʒ.ekt/ = VERB: projecteren, ontwerpen, beramen, werpen, vooruitsteken, uitspringen, slingeren, uitschieten; NOUN: plan, ontwerp, onderneming; USER: project, projecten, het project

GT GD C H L M O
projects /ˈprɒdʒ.ekt/ = VERB: projecteren, ontwerpen, beramen, werpen, vooruitsteken, uitspringen, slingeren, uitschieten; NOUN: plan, ontwerp, onderneming; USER: projecten, projecten die, project

GT GD C H L M O
quality /ˈkwɒl.ɪ.ti/ = NOUN: kwaliteit, eigenschap, hoedanigheid, rang, aard, bekwaamheid, karaktertrek, hoge stand, aanleg; USER: kwaliteit, de kwaliteit, kwaliteit van

GT GD C H L M O
register /ˈredʒ.ɪ.stər/ = VERB: registreren, inschrijven, aangeven, aantekenen, aanwijzen, nota nemen van; NOUN: register, lijst, kiezerslijst, orgelregister, stemregister, sleutel; USER: registreren, inschrijven, register, registreer, meld

GT GD C H L M O
reporting /rɪˈpɔːt/ = VERB: rapporteren, melden, berichten, rapport uitbrengen, informeren, inlichten, rapport maken van, overbrengen, verslaggever zijn, verslag geven van, reporterswerk doen, zich melden bij; USER: rapportage, rapportering, rapporteren, melden, verslaglegging

GT GD C H L M O
reports /rɪˈpɔːt/ = NOUN: verslag, rapport, bericht, slag, gerucht, knal, formulier; VERB: rapporteren, melden, berichten, rapport uitbrengen, informeren; USER: rapporten, verslagen, meldingen, rapportages, berichten

GT GD C H L M O
requirements /rɪˈkwaɪə.mənt/ = NOUN: vereiste, eis, behoefte; USER: eisen, vereisten, voorschriften, behoeften, voorwaarden

GT GD C H L M O
rest /rest/ = NOUN: rest, rust, pauze, rustpauze, steun, nachtrust, overblijfsel; VERB: rusten, uitrusten, blijven, steunen, laten rusten; USER: rest, rust, rusten, overige, overblijfsel

GT GD C H L M O
review /rɪˈvjuː/ = NOUN: recensie, herziening, overzicht, tijdschrift, revue, parade, boekbeoordeling, terugblik, wapenschouwing, maandschrift, inspectie; VERB: herzien, bespreken, recenseren, overzien, overzicht geven van, in ogenschouw nemen, laten paraderen, terugzien op; USER: beoordelen, herzien, reactie, te beoordelen, recenseer

GT GD C H L M O
s = USER: s, en, Tussen, jaren, is

GT GD C H L M O
salesforce = USER: salesforce, verkoopteam, verkoopafdeling, van Salesforce

GT GD C H L M O
servers /ˈsɜː.vər/ = NOUN: bestek; USER: servers, Sekties Servers, Sekties, server

GT GD C H L M O
service /ˈsɜː.vɪs/ = NOUN: service, service, dienst, bediening, dienstbaarheid, dienstverrichting, servies, ambt, werk, kerkdienst, eredienst; ADJECTIVE: dienst-; USER: service, dienst, dienstverlening, diensten

GT GD C H L M O
services /ˈsɜː.vɪs/ = NOUN: service, service, dienst, bediening, dienstbaarheid, dienstverrichting, servies, ambt, kerkdienst, werk, eredienst, opslag; USER: diensten, services, dienstverlening, diensten van

GT GD C H L M O
session /ˈseʃ.ən/ = NOUN: sessie, zitting, zittingsperiode, zittingstijd; USER: sessie, zitting, vergaderperiode, vergadering, sessielengte

GT GD C H L M O
skills /skɪl/ = NOUN: bekwaamheid, behendigheid, handigheid, bedrevenheid, ervarenheid; USER: vaardigheden, vaardigheden te, vaardigheden die, competenties, skills

GT GD C H L M O
social /ˈsəʊ.ʃəl/ = ADJECTIVE: sociaal, maatschappelijk, gezellig; USER: sociaal, maatschappelijk, sociale, maatschappelijke, de sociale

GT GD C H L M O
software /ˈsɒft.weər/ = NOUN: software, programmatuur; USER: software, software te, programmatuur

GT GD C H L M O
specialties /ˈspeʃ.əl.ti/ = NOUN: specialiteit, bijzonderheid, vak, branche, afdeling, tak; USER: specialiteiten, specialismen, specialiteiten uit, specialiteit

GT GD C H L M O
specifications /ˌspes.ɪ.fɪˈkeɪ.ʃən/ = NOUN: specificatie, nauwkeurige opgaaf; USER: specificaties, de specificaties, gegevens, specificaties van, bestek

GT GD C H L M O
spring /sprɪŋ/ = NOUN: voorjaar, lente, veer, bron, oorsprong, drijfveer, springbron, elasticiteit; ADJECTIVE: lente-; VERB: springen, ontspringen, opkomen, verrijzen, opwellen, opborrelen; USER: voorjaar, lente, veer, de lente, spring

GT GD C H L M O
sql = USER: sql, van SQL

GT GD C H L M O
staff /stɑːf/ = NOUN: personeel, staf, notenbalk, stut, bedelstaf, steun; USER: personeel, staf, medewerkers, het personeel, personeelsleden

GT GD C H L M O
stage /steɪdʒ/ = NOUN: stadium, podium, etappe, toneel, graad, schouwtoneel, pleisterplaats, rustpunt; ADJECTIVE: toneel-; VERB: opvoeren, tentoonstellen; USER: stadium, podium, etappe, toneel, fase

GT GD C H L M O
starting /stɑːt/ = VERB: beginnen, starten, vertrekken, aanzetten, opschrikken, aan de gang maken; USER: starten, beginnend, start, beginnen, begint

GT GD C H L M O
struts /strət/ = USER: stutten, struts, schoren, veerpoten, steunen,

GT GD C H L M O
student /ˈstjuː.dənt/ = NOUN: student, beoefenaar; USER: student, studenten, leerling

GT GD C H L M O
subversion

GT GD C H L M O
summary /ˈsʌm.ər.i/ = NOUN: overzicht, summier, excerpt, resumé; ADJECTIVE: beknopt, summier, summair, paraat; USER: overzicht, beknopt, samenvatting, summary

GT GD C H L M O
support /səˈpɔːt/ = VERB: ondersteunen, steunen, onderhouden, schragen, stutten, dulden, verdragen; NOUN: ondersteuning, steun, ondersteunen, onderhoud, houvast, ruggesteun; USER: ondersteunen, steunen, ondersteuning, steun, ondersteuning van

GT GD C H L M O
swing /swɪŋ/ = NOUN: schommel, zwaai, slingering; VERB: zwaaien, slingeren, schommelen, balanceren, bengelen, dichtslaan, doen schommelen, doen slingeren; USER: schommel, slingeren, zwaaien, zwaai, swing

GT GD C H L M O
switching /swiCH/ = VERB: omschakelen, slaan, uitdraaien, ranselen; USER: schakelen, switching, overschakelen, omschakelen, schakelende

GT GD C H L M O
system /ˈsɪs.təm/ = NOUN: systeem, stelsel, bestel, gestel; USER: systeem, stelsel, het systeem, systeem van

GT GD C H L M O
systems /ˈsɪs.təm/ = NOUN: systeem, stelsel, bestel, gestel; USER: systemen, systeem, systemen voor, stelsels

GT GD C H L M O
tasks /tɑːsk/ = NOUN: taak, opgave, karwei, huiswerk; VERB: taak opgeven, werk opleggen, hard laten werken, veel vergen van, op de proef stellen; USER: taken, opdrachten, taken voor deze applicatie, taak, de taken

GT GD C H L M O
team /tēm/ = NOUN: team, ploeg, elftal, equipe, span, werkgroep, toom, vlucht, bediening; VERB: samenwerken, aanspannen; USER: team, ploeg, team van, het team

GT GD C H L M O
technologies /tekˈnɒl.ə.dʒi/ = NOUN: technologie; USER: technologieën, technologie, technieken, technologieën te

GT GD C H L M O
technology /tekˈnɒl.ə.dʒi/ = NOUN: technologie; USER: technologie, techniek, technologische, technologieën

GT GD C H L M O
test /test/ = NOUN: test, proef, toets, onderzoek, beproeving, examen, keuring, proefwerk; VERB: toetsen, beproeven, proberen, keuren; USER: test, proef, testen, toets

GT GD C H L M O
testing /ˈtes.tɪŋ/ = VERB: toetsen, beproeven, proberen, keuren, op de proef stellen, attesteren; USER: testen, testing, test, het testen, tests

GT GD C H L M O
that /ðæt/ = CONJUNCTION: dat, opdat; PRONOUN: dat, die, wat, welke; ADVERB: zo; USER: dat, die, dat de, wat

GT GD C H L M O
the /ðiː/ = ARTICLE: de, het; USER: de, het, van de

GT GD C H L M O
ticketing /ˈtikit/ = USER: ticketing, kaartverkoop, ticketverkoop, een ticketservice, tickets,

GT GD C H L M O
to /tuː/ = PREPOSITION: om, aan, naar, tot, voor-, bij, om te, ter, tegen, toe, tot aan, tot op, naar toe, to-, to; USER: naar, aan, te, tot, om

GT GD C H L M O
tomcat /ˈtɒm.kæt/ = NOUN: kater; USER: kater, tomcat, van Tomcat, katertje

GT GD C H L M O
trade /treɪd/ = NOUN: handel, vak, beroep, transactie, ambacht, bedrijf, handwerk, koophandel, ruilgoederen; VERB: handelen, ruilen, handel drijven, varen; ADJECTIVE: handels-; USER: handel, verhandelen, ruilen, de handel, handelen

GT GD C H L M O
univ = USER: univ, University, Universteit"

GT GD C H L M O
using /juːz/ = NOUN: gebruik; USER: gebruik, met, met behulp, met behulp van, gebruik van

GT GD C H L M O
value /ˈvæl.juː/ = NOUN: waarde, prijs, schatting; VERB: waarderen, taxeren, schatten; USER: waarde, waarde heeft, value, prijs, waarde van

GT GD C H L M O
various /ˈveə.ri.əs/ = ADJECTIVE: divers, verschillend, afwisselend, menigvuldig, menigvoudig; USER: divers, verschillende, diverse, de verschillende, verscheidene

GT GD C H L M O
velocity /vəˈlɒs.ɪ.ti/ = NOUN: snelheid; USER: snelheid, snelheid van, velocity, snelheid van de, de snelheid

GT GD C H L M O
volunteer /ˌvɒl.ənˈtɪər/ = NOUN: vrijwilliger, volontair; ADJECTIVE: vrijwilligers-, vrijwillig; VERB: vrijwillig op zich nemen, vrijwillig dienstnemen; USER: vrijwilliger, vrijwilligerswerk, vrijwillig, vrijwilligers, vrijwilliger vrijwilligerwerks

GT GD C H L M O
web /web/ = NOUN: web, weefsel, net, vlies, zwemvlies, papierrol, spinneweb, wang, koord, bindweefsel, zaagblad, baard; VERB: weven, inweven, met een netwerk bedekken, in een netwerk verstrikken; USER: web, internetbrowser, webpagina, website

GT GD C H L M O
windows /ˈwɪn.dəʊ/ = NOUN: venster, raam, etalage, loket, opening; VERB: van vensters voorzien; USER: ramen, windows, ruiten, vensters

GT GD C H L M O
with /wɪð/ = PREPOSITION: met, bij, van, door, samen met; USER: met, met een, van, bij, met de

GT GD C H L M O
xhtml

GT GD C H L M O
xml /ˌeks.emˈel/ = USER: xml, van XML,

GT GD C H L M O
year /jɪər/ = NOUN: jaar

GT GD C H L M O
years /jɪər/ = NOUN: jaar; USER: jaren, jaar, jarige, jaar oud

196 words